Working Papers


Latest Working Papers

Current year

Hans De Wulf

Schending van de belangenconflictregeling voor bestuurders leidt niet automatisch tot nietigheid van de bestuursbeslissing

WP 2022-19

Dit is een bespreking van het Cassatiearrest van 9 december 2021. Dat arrest handelt over de mogelijkheid voor een NV om, op basis van art. 7:96 § 2 WVV, de nietigheid te vorderen van een bestuursbeslissing wanneer het bestuur de belangenconflictprocedure uit art. 7:96 § 1 WVV niet (volledig) heeft nageleefd. In navolging van de stichter van het Instituut Financieel Recht, Eddy Wymeersch, oordeelt het Hof van Cassatie dat de nietigheid niet kan uitgesproken worden wanneer de feitenrechter vaststelt dat de naleving van de belangenconflictprocedure geen verschil had kunnen maken, dus geen invloed op de besluitvorming had kunnen hebben. Terwijl Wymeersch (De belangenconflictregeling in de vennootschappen, Maklu, 1996, nr. 71) enkel wou verhinderen dat nietigheid werd uitgesproken wanneer alleen maar de openbaarmakingsverplichtingen (melding aan de algemene vergadering, opname van notulen in het jaarverslag) niet werden nageleefd, laat het Hof van Cassatie ten onrechte ruimte aan de feitenrechters om ook andere “procedurefouten” als “zonder invloed” te kwalificeren.

De noot legt uit dat het Hof van Cassatie een weliswaar niet volledig onverdedigbaar arrest over een betwiste rechtsvraag heeft geveld, maar dat het arrest niettemin positiefrechtelijk verkeerd en beleidsmatig te betreuren is.

In elk geval zal ook na dit arrest een rechter nooit uit de feiten kunnen en dus mogen afleiden dat de deelname aan de besluitvorming van een bestuurder die krachtens de wet van deelname uitgesloten was, geen invloed op de besluitvorming heeft kunnen hebben.

Deze WP bevat de draft versie van een noot die bij het cassatiearrest zal verschijnen in TBH 2022/10.

Hans De Wulf

Shareholder inspection rights in Belgium: unpopular or unnecessary?

WP 2022-18

In this Working Paper Hans De Wulf dicusses the rules and relatively rare case law on shareholder inspection rights, allowing minority shareholders to inspect corporate documents, often in preparation for a derivative claim. It argues courts should not demand that plaintiffs show the "discovery" pursued during the inspection procedure could potentially be useful for a subsequent claim. Rather, the procedure should be considered as a stand-alone check on directors at the disposal of minority sharheolders.

Diederik Bruloot

Aansprakelijkheid voor onrechtmatige uitkeringen aan de aandeelhouders

WP 2022-17

Het hoofddoel van deze bijdrage is een vergelijking te maken van het nieuwe regime inzake aansprakelijkheid voor onrechtmatige uitkeringen aan de aandeelhouders in de BV met het ongewijzigd gebleven regime ter zake in de NV. Volgens sommige commentatoren zou het gras in de oude “NV-weide” op dit punt heel wat groener zijn dan in de nieuwe “BVweide” aan de overkant. Zoals dat wel vaker het geval is, blijkt, na een grondige inspectie, het kleurverschil in de realiteit evenwel helemaal niet zo groot.

Eddy Wymeersch

G 20/ OECD Principles of Corporate Governance – Comments by Eddy Wymeersch

WP 2022-16

In this public consultation, the OECD seeks to benefit from a wider input from the public in order to achieve a statement optimally reflecting ideas developed in the numerous studies and reflections about the future of private companies and the way these should be managed. The Principles are addressed to policy makers: apart from the case when the principles have been translated in legal rules, some of the Principles are to be included in the companies’ corporate governance codes, but other remain in the status of unwritten standards. Only legal rules are fully binding.

In general the Principles deal with prominent corporate governance issues and indicate for most of these a way forward, which looks convincing. The present paper focuses on the issues where the Principles could usefully be complemented by issues which came forward more recently, or can be considered lacunae in the present presentation.

The Principles are adressed to private companies traded on public markets, but are equally of importance for the many unlisted companies, and even other bodies – such as the state owned economic enterprises which exercise central functions in our societies, eg the railways. The corporate governance principles may be equally applicable to these entities and a similar reflection as developed in the Principles would be of great importance.

According to the accounting directive companies will include the corporate governance statement in their management report. That statement shall be included as a specific section of the management report and shall contain at least the information listed in article 20 of that directive. Some of this information will be subject to external review by the auditor.

Louise Van Marcke

Securities lending as a barrier to (or an instrument for) shareholder activism and the role of intermediaries as lending agents

WP 2022-15

This paper discusses the corporate governance implications of securities lending transactions in the European Union, in particular with regard to the exercise of voting rights by activist shareholders. When shares are on loan, both sides of the lending equation (i.e. that of the lender and the borrower) affect the exercise of voting rights: lenders must recall lent out shares in a timely manner if they do not want to lose the voting rights attached to them, and borrowers may employ stock borrowing practices to increase their voting power and manipulate voting outcomes. By analysing legal doctrine, consulting with practitioners and examining recent securities lending cases (such as Mediobanca/Generali), this paper highlights the ongoing risks that stock lending poses to corporate governance. Techniques such as negative risk-decoupling, record date capture and empty voting are analysed from the perspective of stock lending. It is found that securities lending can be as much a barrier to activism as it can be used to the advantage of activists. As a conclusion, some recommendations and guidelines for future regulation are included.

Evariest Callens

The Future of Centrally Cleared OTC Derivatives Markets

WP 2022-14

Financial markets are in constant flux. New players and services, often leveraging new technology, emerge and challenge the status quo. Changes in markets, regulation, the environment, and global politics affect the business and risk profiles of financial market participants. The central clearing sector is no exception to this. Moreover, with its crucial position as bulwark against systemic instability, the central clearing sector sits at the heart of modern financial markets and is particularly exposed to the speed of the ever-evolving financial system. Based on recent evolutions and policy initiatives, this paper aims to formulate conjectures about the directions in which centrally cleared over-the-counter (OTC) derivatives markets may develop in the future. Given the inherently forward-looking nature of this paper, our analysis is necessarily limited in that it employs incomplete information about the future in an attempt to map future risks, challenges, and opportunities in centrally cleared OTC derivatives markets. The paper is structured around (i) emerging risks (cyber risk, environmental risk, new technologies, and legal risk); (ii) challenges that come with the friction between an increasingly cross-border market for centrally cleared OTC derivatives and a regulatory and supervisory approach towards CCPs that has remained largely domestic or regional; and (iii) potential future directions for CCP governance.

Working paper is available here.

Evariest Callens, Reinhard Steennot, Niels Rogge

Meer mogelijkheden tot bevrijdend betalen zonder cash

WP 2022-13

De wet van 17 maart 2022 houdende diverse fiscale bepalingen en fraudebestrijding creëert voor ondernemingen de verplichting om, wanneer de betaling in euro in gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de consument en de onderneming plaatsvindt, aan de consument een elektronisch betaalmiddel ter beschikking te stellen. Op die manier speelt de wetgever in op een evolutie waarin steeds minder cash wordt gebruikt en consumenten steeds vaker een beroep willen doen op elektronische betaalmiddelen om zich van hun schuld te kwijten. In deze bijdrage gaan dr. Evariest Callens, prof. dr. Reinhard Steennot en Niels Rogge na wanneer precies een schuldenaar zijn schuldeiser kan dwingen om een ander betaalmiddel dan cash te aanvaarden. De nieuwe regelgeving komt aan bod na een overzicht van de klassieke principes (en uitzonderingen daarop).

Evariest Callens

Derivative Contracts in EU Law: Never Mind the Definition

WP 2022-12

Trillions of euros change hands through derivative contracts every year. Although economically valuable for risk redistribution purposes, derivatives may also pose grave threats to financial stability, having led Wall Street magnate Warren Buffett to dub them “financial weapons of mass destruction”. In line with international policy initiatives after the 2008 financial crisis, the EU co-legislators have sought to mitigate the potential destructive effects of derivatives through a host of far-reaching legislative interventions (e.g. mandatory usage of central counterparties (CCPs)). To determine the scope of application of these legislative initiatives, the definition of derivatives is of pivotal importance. Although a strand in legal scholarship has aimed to map the conceptual properties of derivatives, the derivatives definitions that have been conceived by the EU colegislators to demarcate the scope of recent legislative interventions have received virtually no attention. This paper seeks to fill this gap. Through a combination of conceptual and regulatory analysis, the paper develops two new arguments. First, it argues that derivatives definitions in EU law do not identify any distinctive conceptual properties of derivatives and, instead, only provide a circular description of what derivatives may be. Secondly, it submits that this conceptually unsatisfactory approach is symptomatic for a more fundamental deficit in the conceptual underpinnings of derivatives. By exploring the relation between the derivatives definitions in EU law and the conceptual properties of derivatives, this paper seeks to uncover some of the conceptual impurities in the premises on which the major overhaul of EU derivatives legislation has been built.

Paper is available at https://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=4096694.

Floris Mertens

De brievenbusvennootschap aan banden: antimisbruikmaatregelen van internationaal privaatrecht

WP 2022-11

Het Belgisch Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen bracht een belangrijke vernieuwing met zich mee op het vlak van het vennootschappelijk internationaal privaatrecht. De werkelijke zetelleer werd verlaten en vervangen door de statutaire zetelleer, waardoor men voortaan voor de bepaling van het toepasselijke vennootschapsrecht aanknoopt bij de locatie van de statutaire zetel. Deze overschakeling heeft tot gevolg dat oprichters of bestuurders zullen zoeken naar landen met lakse regels van vennootschapsrecht, om aldaar de statutaire zetel te (ver)plaatsen. Wanneer de vennootschap vervolgens haar voornaamste economische activiteiten verricht in een ander land dan dat van de statutaire zetel, komt een zogenaamde brievenbusvennootschap tot stand.

In deze Working Paper maakt Floris Mertens duidelijk dat België, Nederland, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland eerder wantrouwig staan tegenover het fenomeen van de brievenbusvennootschap. Hoewel dit vehikel een onvermijdelijk product van de incorporatieleer is, zou het ogenschijnlijk diverse misbruiken in de hand kunnen werken. Voormelde Europese landen trachten hier via tal van privaatrechtelijke antimisbruikmaatregelen aan tegemoet te komen. Dit lappendeken van maatregelen mist evenwel een zekere uniformiteit, gaat uit van een foutief misbruikbegrip, en is reeds talloze malen door het Hof van Justitie als onverenigbaar bevonden met de vrijheid van vestiging.

Floris Mertens

Oprichtersaansprakelijkheid wegens kennelijk ontoereikend aanvangsvermogen: kan de cijferberoeper als zondebok dienen?

WP 2022-10

In deze Working Paper annoteert Floris Mertens een vonnis van de ondernemingsrechtbank te Gent (afd. Dendermonde) van 18 oktober 2021.

Indien een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid binnen de drie jaar na de oprichting failliet wordt verklaard, lopen de oprichters het gevaar om hoofdelijk aansprakelijk gesteld te worden voor een deel of het geheel van het netto-passief van de gefailleerde vennootschap. Hun aansprakelijkheid komt in het gedrang wanneer zij een kennelijk ontoereikend aanvangsvermogen voorzien hebben bij de oprichting, wat voornamelijk kan blijken uit het bewaarde financieel plan. De praktijk leert dat oprichters voor de opstelling van dit plan vaak een beroep doen op de beoefenaar van een cijferberoep. Bijgevolg rijst de vraag in welke mate deze cijferberoeper ook aansprakelijkheid kan dragen voor het kennelijk ontoereikend aanvangsvermogen dat mogelijks uit het financieel plan naar voren komt. Deze bijdrage toont aan dat de professionele zorgvuldigheidsplicht de cijferberoeper ertoe dwingt om enerzijds de door de oprichters aangereikte cijfergegevens in beperkte mate te controleren, en anderzijds een waarschuwing te verstrekken wanneer duidelijk blijkt dat de in het financieel plan voorziene middelen ontoereikend zijn om de beoogde activiteiten te verwezenlijken.

Hans De Wulf, Louise Van Marcke

Duurzaamheid en vennootschapsrecht: ESG-aansprakelijkheid en de invloed van institutionele aandeelhouders

WP 2022-09

In deze Working Paper focussen Hans De Wulf en Louise Van Marcke op drie thema’s binnen het vennootschapsrechtelijke duurzaamheidsdebat. Ten eerste wordt geargumenteerd dat men nauwelijks enig effect mag verwachten van “stakeholderism” in de betekenis van het herformuleren van bestuurdersplichten of herdefiniëren van het vennootschapsbelang in de ijdele hoop bestuurders zo te dwingen meer aandacht te hebben voor andere stakeholders dan aandeelhouders. Ten tweede worden de verschillende technieken beschreven die institutionele aandeelhouders hanteren om duurzaamheidsthema’s bij ondernemingen op de agenda te plaatsen. Tot slot wordt ingegaan op het gebruik van het onrechtmatigedaadsrecht.

Simon Geiregat

Unfair terms in non-consumer contracts – comparative analysis

WP 2022-08

In this Working Paper Simon Geiregat provides a scheme comparing the legal framework on unfair terms in non-consumer contracts in Belgium, France, Germany and the Netherlands. A comparison with harmonized EU law has also been added.

When applicable, comparisons with the rules on consumer contracts are marked. 

Hans De Wulf

Controle van het bestuur op de kwaliteit van een overnemer en diens debt push down in leveraged buy-outs?

WP 2022-07

Dit is de tekst van Hans De Wulf zijn bijdrage aan het Liber Amicorum Jean-Pierre Blumberg, dat in de herfst van 2021 bij Intersentia verscheen.

De tekst gaat uit van twee ophefmakende buitenlandse gerechtelijke uitspraken inzake debt push downs, de Amerikaanse Nine West-zaak en de Nederlandse Estro- zaak. Beide uitspraken hebben gemeen dat zij “standaarden” inzake behoorlijk vennootschapsbestuur gebruiken om bestuurders te wijzen op hun verantwoordelijkheden bij een overname van de vennootschap (bv. door een private equity-speler), ook wanneer zijzelf naar aanleiding van de overname uit het bestuur zullen verdwijnen, en met name wat de schuldenlast die op de schouders van de vennootschap wordt gelegd betreft. Hans De Wulf onderzoekt op essayistische wijze in welke mate zulke rechtspraak ook in België mogelijk zou zijn, als aanvulling op de technische wettelijke regels inzake financial assistance.

Hans De Wulf

Zijn blijvende verschillen tussen NV en BV gerechtvaardigd?

WP 2022-06

Deze bijdrage zal in de eerste helft van 2022 verschijnen in TRV-RPS, in een nummer waarin een vijftal bestuurders van het Belgisch Centrum voor vennootschapsrecht hun mening geven over de vraag op welke punten het WVV misschien minder opportune keuzes heeft gemaakt/reeds voor wijziging in aanmerking zou komen. Elke auteur heeft een verschillend thema uitgekozen, in Hans De Wulf zijn geval de vraag of de verschillen in wetgeving tussen BV en NV gerechtvaardigd zijn.

Hans De Wulf argumenteert dat de verschillen in de winstuitkeringsregels voor BV en NV niet gerechtvaardigd zijn, en dat men met name ook voor de NV een schriftelijke liquiditeitstest in de wet had moeten inschrijven. Daarnaast bespreekt Hans De Wulf enkele kleinere ongerechtvaardigde verschillen (bv. waarom geen duaal bestuur toelaten in de BV ?) en stelt hij vragen bij de afbakening tussen de vennootschapsvormen, waarbij hij bijvoorbeeld ook kritiek heeft op het eenhoofdig bestuur bij de NV.

Eddy Wymeersch

Proposal for a Directive on gender equality – An initial analysis

WP 2022-05

The final and updated version of this draft paper will be published elsewhere.

Hans De Wulf

De maatschap : catch me if you can – Hoe rechtstheorie legitimeert maar niet fundeert

WP 2022-04

In de bijdrage wordt vastgesteld dat ook de maatschap, ondanks haar gebrek aan rechtspersoonlijkheid, een eigen vermogen heeft, maar in geen enkel opzicht een afgescheiden vermogen heeft.  

Verder wordt geargumenteerd dat de wetgever iets te ver is gegaan door ook voor stille maatschappen te bepalen dat het maatschapsvermogen niet kan uitgewonnen worden door de persoonlijke schuldeiser van een vennoot. 

Tot slot wordt verdedigd dat de wetgever beter de hervorming van het maatschapsrecht had gebruikt om de maatschap volledige rechtspersoonlijkheid te geven, met de transparantieverplichtingen die daarbij horen, maar met tegelijk de mogelijkheid, voor de oprichters, om de maatschap-rechtspersoon toch te onderwerpen aan een regime van fiscale transparantie. 

Reinhard Steennot

Onrechtmatige bedingen in B2B-contracten: algemene en bijzondere regelen beperken wilsautonomie (steeds meer)

WP 2022-03

Bepalingen inzake onrechtmatige bedingen begrenzen de wilsautonomie waarover ondernemingen in beginsel beschikken bij het sluiten van een overeenkomst. Waar deze autonomie aanvankelijk enkel werd ingeperkt in de verhouding tot consumenten, stelt men vast dat sedert 1 december 2020 ook in de verhouding tussen ondernemingen onderling rekening moet worden gehouden met dwingende regelen ter bescherming van de zwakkere partij.

In de nabije toekomst zullen ook bepalingen die ogenschijnlijk betrekking hebben op oneerlijke marktpraktijken de wilsautonomie van ondernemingen verder beperken. Het is opvallend dat al deze bepalingen in het WER vervat liggen en niet in het (nieuw) BW. Meer en meer beïnvloedt het WER het verbintenissenrecht, zodanig dat experten verbintenissenrecht het niet meer zonder Boek VI van het WER kunnen stellen.

Hans De Wulf

ESG en vennootschapsrecht: innig verbonden, maar ook duurzaam?

WP 2022-02

De tekst biedt een algemeen overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen binnen Europa in de periode 2019-2021 op het snijvlak van ondernemingsrecht en environmental, social en governance-thema’s. Hans De Wulf had de eer de tekst te mogen voorstellen op de jaarvergadering te Amsterdam, in november 2021, van de Nederlandse Koninklijke Vereeniging Handelsrecht, en aldaar in debat te mogen gaan met Vino Timmerman en het publiek.

Na een uitgebreide inleiding gaat de tekst in op het 'corporate purpose'-debat, ESG-aandeelhoudersactivisme, de EU-initiatieven om openbaarmakingsverplichtingen rond duurzaamheid en verwante thema’s op een nieuwe leest te schoeien, due diligence van de waardeketen (ook bekend als human rights due diligence) en de evolutie naar 'ESG-aansprakelijkheid', uitmondend ineen fusie tussen mensenrechten en het onrechtmatigedaadsrecht, zoals geïllustreerd door het Haagse vonnis in de Shell Milieudefensie-zaak.

Inhoudelijk maakt Hans De Wulf onder nogal wat meer het punt dat het een onvruchtbare aanpak is te pogen ondernemingen tot meer aandacht voor andere stakeholders dan aandeelhouders te bewegen via een herformulering van bestuursplichten of invulling van het concept vennootschapsbelang of corporate purpose-verklaringen; dat het wel zinvol is aan ondernemingen human rights due diligence verplichtingen op te leggen, maar dat men dat dan via technisch behoorlijk geformuleerde, tot rechtszekerheid leidende wetgeving moet doen, kenmerken die ontbreken bij het ontwerp van Europese Richtlijn van het Europese Parlement van 10 maart 2021; en dat terwijl de Britse 'Vedanta'-rechtspraak te begroeten is (aansprakelijkheid van de Europese moeder voor eigen onrechtmatige daad die begaan wordt via de activa van een buitenlandse dochter), de Nederlandse Shell Milieudefensie-uitspraak vele bruggen te ver gaat, onder meer omdat zij uit niet-bindende normen een bindende gedragsnorm afleidt en op die manier de grens tussen het toepassen en afdwingen van het recht en het uitvinden van nieuwe rechtsregels, wat een prerogatief van de politiek is, ver overschrijdt.

Dominique Blommaert

Brève histoire du droit européen du crédit à la consommation : évolutions et perspectives

WP 2022-01

EU regulation of consumer credit has evolved considerably in past decades. New developments in this branch of the law can be expected, with the ongoing discussion of a proposed new directive on consumer credit by EU lawmakers.  

In a new Working Paper FLI-member Dominique Blommaert and Prescillia Algrain discuss past and future trends in consumer credit law.

After an overview of the evolution of the EU legal framework towards consumer credit, the authors emphasize three significant trends : the clustering of EU litigation around issues related to the compliance of stricter national law with EU Law, movements in the legal scope of consumer credit and an enrichment of substantive law aimed at introducing consumer protection measures. 

Last year

Gauthier Vandenbossche

De tijdelijk hervormde gerechtelijke reorganisatie: soepeler, moderner, efficiënter?

WP 2021-07

Om het bestaande insolventierecht aan te passen aan de behoeften van de COVID19-crisis, voerde de wet van 21 maart 2021 “tot wijziging van boek XX van het Wetboek van economisch recht en het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992” een aantal (tijdelijke) aanpassingen en verbeteringen aan Boek XX WER door.  

Vooreerst is de bedoeling van deze hervorming om de toegang tot de procedure van gerechtelijke reorganisatie te vergemakkelijken, in het bijzonder voor kmo’s. Verder wordt een nieuwe ‘voorbereidende’ procedure ingevoerd, die ondertussen zijn eerste toepassingen in de praktijk en rechtspraak kent. Tot slot worden een aantal punctuele aanpassingen gemaakt aan Boek XX WER. 

Jan Cerfontaine

De onafhankelijke bestuurder in de financiële instellingen – een medicijn tegen alle kwalen?

WP 2021-06

Deze bijdrage onderzoekt de positie en de werking van de onafhankelijke bestuurder in de governance van financiële instellingen, waartoe zowel banken (kredietinstellingen) en beleggingsondernemingen worden gerekend, als verzekeringsondernemingen en pensioenfondsen, naast andere. De onafhankelijke bestuurder heeft in het corporate governance debat en beleid gaandeweg een zeer prominente plaats heeft ingenomen en is – zo lijkt het wel – zelfs een magische oplossing is geworden voor ongeveer alle governance problemen.
Na een kort overzicht van de argumenten die worden aangevoerd om in financiële instellingen een ‘andere’, d.i. een van de niet-financiële sector verschillende governance-regeling in te voeren, worden de reglementaire bepalingen in het Europese en Belgische bank- en verzekeringstoezichtsrecht met betrekking tot de onafhankelijke bestuurder onderzocht.
Tenslotte worden enkele vragen gesteld bij de vele rollen die de onafhankelijke bestuurder in financiële instellingen dient op te nemen, en bij de vennootschappelijke en prudentiële verwachtingen die hieruit resulteren.

Evariest Callens, Reinhard Steennot

Kwalificatie als consument bij complexe contracts for differences

WP 2021-05

Diederik Bruloot, Reinhard Steennot, Gauthier Vandenbossche

Het faillissement van bestuurders van rechtspersonen en onbeperkt aansprakelijke vennoten: licht aan het einde van de tunnel

WP 2021-04

Ingevolge de inwerkingtreding van Boek XX WER op 1 mei 2018 is het personeel toepassingsgebied van het insolventierecht aanzienlijk uitgebreid. Het gemoderniseerd ondernemingsbegrip, gebaseerd op zoveel mogelijk formele in plaats van materiële criteria, vervangt voortaan het handelaarsbegrip als centraal aanknopingspunt voor het toepassingsgebied van het commercieel insolventierecht. Elke natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit verricht, elke rechtspersoon en iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid is in beginsel een onderneming in de zin van artikel I.1, 1° WER. In de rechtspraak en rechtsleer gaf de categorie van natuurlijke personen echter meteen aanleiding tot toepassingsvragen- en problemen, zowel wat de faillietverklaring van bestuurders van rechtspersonen als vennoten van vennootschappen met onbeperkte aansprakelijkheid betreft. Bijna drie jaar na de inwerkingtreding van Boek XX WER lijkt zich stillaan een (duidelijke) lijn af te tekenen, die evenwel in bepaalde gevallen onbillijke gevolgen met zich meebrengt.

Niels Rogge

Zijn kredietinstellingen verplicht om bij het verstrekken van krediet rekening te houden met (potentiële) negatieve gevolgen op mensenrechten?

WP 2021-03

Eddy Wymeersch

CSDs and the reform of the settlement process

WP 2021-02

The post-trade activities in securities has again raised considerable attention and discussions: recent public consultations of European Commission have resulted in a very active debate concentrating on three issues: new regime for settlement finality, with specific attention to the Buy-in process, the consequences of possible introduction of distributed ledger technology in the securities settlement process, and finality the widespread use of internalisation as a replacement to the CSDs. Overall, these discussions also result in a debate about the supervisory system. The debates on these topics are still open and are likely to keep us busy for quite some time. Therefore, this status questionis may be useful.

Eddy Wymeersch

Commentary: The European Parliament’s Draft Directive on Corporate Due Diligence and Corporate Accountability

WP 2021-01

For earlier papers visit our Archive.